Volgens Staatstoezicht op de Mijnen (SodM) zijn de risico’s van een exploratieboring naar schaliegas vergelijkbaar met de risico’s bij een boring naar olie, gas of geothermische energie. Dit verklaarde Rob van Elsen tijdens het Ronde Tafel gesprek over de risico’s van schaliegas in de Tweede Kamer op 14 september 2011. Rob van Elsen is mijnbouwkundig ingenieur en hoofdinspecteur bij SodM.
Van Elsen ziet dan ook geen redenen waarom een exploratieboring naar schaliegas niet op een verantwoorde manier kan plaatsvinden. De techniek van fraccen (het maken van scheuren in gesteentelagen om het gas uit het gesteente te krijgen) verschilt evenmin van “gewone” gasboringen. A priori zijn er geen redenen om aan te nemen dat het fraccen in een schaliegasboring een grotere kans op aardtrillingen geeft dan het fraccen van een “gewone” boring. Desondanks heeft SodM aan Cuadrilla verzocht om voorafgaand aan een exploratieboring de trillingen tijdens de boring van Cuadrilla in Blackpool (Verenigd Koninkrijk) te onderzoeken.
Het is om fysische redenen niet denkbaar dat een frac kan groeien van een diepte van 2 a 3 km naar een drinkwatervoerende laag op enkele honderden meters diepte. Dat blijkt ook uit de meer dan 50.000 putten die in de USA gefracced zijn (volgens het American Petroleum Institute zijn er zelfs meer dan één miljoen putten gefracced sinds 1940!). Lekkage via de put of morsingen van verontreinigende stoffen op de boorlocatie zijn bij alle boringen mogelijk, maar door de juiste manier van boren, het aanbrengen van extra barrières zoals bodembeschermende voorzieningen en door monitoring is dit volgens SodM een bekend en beheersbaar proces. Bij de enkele exploratieboringen die momenteel worden voorzien in Brabant is het gebruik van hulpstoffen, zoals water en chemicaliën, en het ontstaan van afvalstoffen nog beperkt.
Risico’s van het winnen van schaliegas
Of na een eventueel succesvolle exploratieboring ook daadwerkelijk tot winning kan worden overgegaan is een vraag die zonder meerdere exploratieboringen niet beantwoord kan worden. Dat winning niet op een manier zal kunnen zoals nu in de USA gebruikelijk lijkt (veel bodemverontreinigingen en emissies naar lucht), spreekt voor zich en de Nederlandse wetgeving staat dat ook niet toe. Ook de aanleg van enorme aantallen winningslocaties is niet realistisch in Nederland.
Indien winning van schaliegas in Nederland gewenst is, is het verstandig om minimaal enkele exploratieboringenboringen uit te voeren. Op basis daarvan kan pas een inschatting worden gemaakt of er winbare hoeveelheden schaliegas zijn en wat de milieu- en ruimtelijke impact van schaliegaswinning zou zijn. Het is niet ondenkbaar dat winning met de huidige technieken nog een te groot aantal winningslocaties zou behoeven, maar de technische ontwikkeling om dat te reduceren zal positief gestimuleerd worden als er significante schaliegasvoorraden in de bodem aanwezig blijken.