SodM advies Groningenveld

Gasproductie moet verder omlaag en gelijkmatiger om kans op bevingen te verminderen

Staatstoezicht op de Mijnen (SodM) adviseert de minister van Economische Zaken dat alleen verdere verlaging van de gasproductie van het Groningenveld gelijktijdig met het vermijden van fluctuaties in de winning – zo vlak mogelijk produceren – de kans op het aantal en op zwaardere bevingen kan verminderen. Harry van der Meijden, Inspecteur-generaal der Mijnen: “Bij overschrijding van één van de grenswaarden van het SodM-alarmeringsprotocol adviseer ik de huidige productie van 24 miljard kuub per jaar omlaag te brengen. Doe dat zo nodig in stappen. En begin met 10 procent;  een eerste stap naar 21,6 miljard kuub en bekijk hoe seismiciteit zich dan ontwikkelt. Bovendien moeten fluctuaties worden vermeden.”

 

De toezichthouder constateert in haar advies dat ondanks vele onderzoeken het er niet naar uit ziet dat het, op korte termijn, mogelijk zal zijn te toetsen bij welk gasproductieniveau bestaande veiligheidsnormen gehaald worden. SodM stelt dat mogelijk zelfs bij het huidige productieniveau aan deze veiligheidsnormen voldaan wordt, maar dat dit op dit moment niet kan worden bepaald. Deze onzekerheid zal naar verwachting ook de komende jaren voortduren. SodM maakt daarbij de kanttekening dat momenteel grenzen bereikt lijken te zijn van wat er wetenschappelijk haalbaar is.

 

Specifiek voor het Loppersumgebied stelt SodM dat vanwege doorgaande drukafname de breuken in de ondergrond kritisch gespannen lijken te zijn. Bij het eventueel opschalen van de productie uit de Loppersum-clusters in het geval van een koude winter zal rekening gehouden moeten worden met het mogelijk optreden van meer en zwaardere bevingen.

 

Dit SodM advies bouwt voort op zijn adviezen van de laatste jaren. Kern van de aan de minister voorgestelde aanpak is om  ‘met de hand aan de kraan’  zo nodig de productie stapsgewijs te verlagen en vlak te produceren en daarbij continu het aantal en de zwaarte van bevingen te monitoren. Daarbij wordt gebruik gemaakt van het alarmeringsprotocol dat SodM in juni 2016 adviseerde in te stellen en dat door de minister in zijn winningsbesluit is overgenomen. Aardbevingsdichtheid en zogenoemde piek grondversnellingen zijn de parameters in dit alarmeringsprotocol die als eerste een indicatie kunnen geven voor veranderingen in risico als gevolg van optredende bevingen.

 

Het is juist dit alarmeringsprotocol dat aanleiding is geweest voor het SodM advies. Op het moment van schrijven van het advies is weliswaar geen van de grenswaardes van dit alarmeringsprotocol overschreden maar SodM vindt met name de ontwikkelingen in seismiciteit in het Loppersum gebied dusdanig dat SodM proactief de minister wenste te informeren. Hierdoor wordt duidelijkheid geschapen welke maatregelen SodM adviseert indien het alarmeringsprotocol hier wel aanleiding toe geeft. Ook dient deze vroege signalering van SodM om partijen in ‘stand by’ stand te zetten mocht het nodig zijn. Leveringszekerheid van gas speelt geen rol in de advisering van SodM aan de minister omdat de SodM taken alleen gericht zijn op de borging van veiligheid en milieu. SodM heeft begrepen dat implementatie van dit advies om de gasproductie te verlagen, mogelijk gevolgen kan hebben voor  leveringszekerheid.